Vancouver-Toronto

05:40 Unknown 3 Comments

De olympische gekte is weer voorbij. En gekte was het. Vooral toen Canada de hockeyfinale won van aartsrivaal Amerika. Ik was de binnenstad ontvlucht en genoot van het bijna-voorjaarszonnetje in een stukje groen achter Granville Island. Daar zat ik rustig te lezen toen een fietser langs kwam, die "Canada won!" naar me riep, alsof hij de officiele boodschapper was die mij dit nieuws moest brengen. Oke, nog een gouden medaille voor Canada. Leuk voor ze. Maar de Candezen vonden het meer dan leuk. Toen ik terugkwam in de binnenstad was daar een volkfeest losgebarsten dat ik nooit eerder gezien heb. De straten krioelden van de Canadezen, alleen in het rood-wit, allen schreeuwend, dansend, gillend, zingend, toeterend, rennend. Iedereen gaf iedereen high-fives. Men schudde handen met de politie, die er hoofdschuddend maar lachend bij stond te kijken. "Thanks for keeping us safe." Mannen die qua kleding weinig meer aanhadden dan een Canadese vlag. De paar auto's die zich tussen de mensenmassa door wisten te wurmen, deden dat luid toeterend en met vlaggen zwaaiend door het raam. En dan niet een half uurtje, maar de hele middag en avond ging het door.

Maandagochtend was het opvallend rustig. Ik had met alle Olympische activiteiten nog nauwelijks wat van de toeristische hoogtepunten van Vancouver gezien, dus ik liep naar Gastown, het oudste deel van de stad, genoemd naar een van de stichters, die Gassy genoemd werd - zijn echte naam ben ik even kwijt. Jack nogwat. In Gastown staat een beroemde stoomklok die volgens mijn lonely planet gewoon op electriciteit loopt. Volgens de bordjes is het stoom van de stadsverwarming of iets anders warms ondergronds, ik weet het niet meer. En er staat een standbeeld van Gassy en vooral heel veel souvenirwinkeltjes. Vanuit Gastown kom je in Chinatown, een van de grootste van Noord Amerika. Nou ben ik al die Chinezen behoorlijk zat, om maar eens lekker te generaliseren. Ik weet Canada bestaat uit immigranetn en ik weet dat het meer hun land is dan dat van mij, maar ik spreek tenminste Engels. Nou ja, ze maken het goed met goedkope winkels. In het Chinatown van Vancouver vond ik een winkeltje dat werkelijk vanalles had. Een soort van hema, maar dan met Chinese producten die niks kosten. Enige nadeel is dat het soms een tijd duurde voor ik uitgevogeld had wat er in een bepaald doosje zat - mijn Chinees is niet zo goed. Ik zocht waspoeder, namelijk, maar voor een wasbeurt en geen vijf kilo. En dat hadden ze, een klein doosje. Kon ik in het hostel tenminste mijn kleren wassen.

Dinsdagavond ging mijn trein, maar voor die tijd had ik nog ruim de tijd om Stanley Park te verkennen, het grote stadspark van Vancouver. Nou ja, stadspark.. Dat wij in Dronten het Van Veldhuizenbos een bos noemen, en zij in Vancouver Stanley Park een park. laat wel een verschil in perspectief zien. Stanley Park is ongeveer zo groot als de bebouwde kom van Dronten, gok ik. Nou ja, dat is iets overdreven (ik wil Dronten ook niet te kort doen), maar groot is het wel. En het is een bos. Ik heb nog nooit coyotes gezien in een stadspark. Oke, ik heb de coyotes hier ook niet gezien, maar ze zitten er wel. En bevers en herten en meer Canadese beesten. En adelaars, maar ook die lieten zich niet zien. Ik dacht Stanley Park, dat op de kaart een stuk langer is dan breed en aan de zuidkant aan de binnenstad grenst, oost-west te doorkruisen, in een soort van flauwe bocht. Dacht ik met mijn richtingsgevoel. Toen ik vermoeid aankwam bij een restaurantje en een kaart, en ik dacht nu toch wel weer bijna in de stad te zijn, bleek dat ik in het allernoordelijkste puntje aanbeland was. Oeps. Gelukkig ging mijn trein pas om half negen 's avonds, maar dit was toch niet helemaal mijn plan. Gelukkig bleek het punt waar ik nu was ook het hoogste te zijn, vandaar mijn vermoeidheid, en liep ik in ruim een uur rechtstreeks terug naar de stad, waar ik wat at bij een Iranese Griek en de bus terugnam naar mijn hostel, en van daar de Skytrain naar het station.

De trein was, zo net na de Spelen, een stuk drukker dan ik van de heenweg gewend was. Ik hoopte weer een hoekje met vier stoelen te kunnen bemachtigen, maar was uiteindelijk blij dat ik er twee bezet kon houden. We kwamen weer langs alle metropolen van de prairie - Melville, Hornepayne -, ik genoot weer van het luxe diner a 20 dollar en probeerde voor de verandering ook eens een lunch. Geen leeuwen in de trein deze keer, wel een muzikant, een singer-songwriter die gitaar en viool speelde en zong, en vooral veel praatte over al zijn avonturen. Goh, dacht ik, dat is nou een echte reiziger, die lift en bust en muziek maakt. Ik vond hem niet sympathiek. Overigens was het treinpersoneel zo enthousiast over hem en zijn gratis optredens dat ze hem van de economy class via de couchettes naar een eigen kamertje gepromoveerd hadden. Toegegeven, de muziek was ook niet slecht.

In Toronto aangekomen, waar ik een nacht in een hostel geboekt had - mijn laatste nacht in een Canadees hostel, om precies te zijn, had ik gepland om naar de Art Gallery of Ontario te gaan, een groot museum. Maar eigenlijk had ik daar helemaal geen zin meer in. Ik hing wat rond in een winkelcentrum. Waar ik nou eigenlijk zin in had, was om naar een film te gaan. Of nog beter, naar het theater. Ik liep per ongeluk tegen een ticketkiosk aan, dus kon het niet laten. Ik vroeg om een kaartje voor het goedkoopste toneelstuk dat er was en vond mijzelf die avond in het westen van de stad, na ruim een uur lopen, op zoek naar de straat waarvan ik de naam vergeten ben. De een of andere Avenue. Nee, zei een mevrouw, is dat niet in de buurt van Yonge street? Totaal aan de andere kant van de stad, vlakbij mijn hostel eigenlijk. Nah, dat kan niet, dacht ik. Nee, zei de mevrouw, ik heb nog nooit van die straat gehoord hier in de buurt. Meneer? Nee, meneer had er ook nog nooit van gehoord. Ik loop een paar meter verder en de bewuste Avenue blijkt precies de volgende dwarsstraat. Mevrouw en meneer kennen hun buurt goed, ahum, blijkt maar weer. Het theatertje was al klein, en werd verder in beslag genomen door een improvisatiewedstrijd waar vrienden, buren, familie, en weet ik het wie op af kwamen om de spelers aan te moedigen, Mijn toneelstuk was in een achterafzaaltje, klein, oud, nu ja, gemoedelijk zullen we maar zeggen. Het werd gespeeld door drie vrouwen van Fillipijnse afkomst, die lieten zien hoe zwwaar het is voor Fillipina's die als nanny naar Canada komen, vaak hun eigen kinderen achterlatend, via het Caregiver programma. Na twee jaar huizen schoonmaken, koken en voor andermans kinderen zorgen, waarbij ze in het huis van hun gastfamilie wonen, maken ze dan kans op een verblijfsvergunning. De moraal van het verhaal was dat ze vaak uitgebuit en misbruikt worden en ze strijden voor betere rechten voor de vrouwen in dat programma. Het was geen slecht toneelstuk, gezien de lokatie en de opkomst.

Vandaag is het zondag en ik zit op dit moment in het busstation te wachten op de bus naar Collingwood. De anderhalve week die ik nog over heb besteed ik daar, opnieuw als vrijwilliger bij de Pretty River Valley Country Inn. De maple syrup (esdoornsiroop, dat klinkt als een geschikte vertaling) productie is daar begonnen. Wat is er geschikter om mijn Canada-ervaring mee af te sluiten, dan om zelf maple syrup te maken?

3 opmerkingen:

  1. Heeey Inge,

    Al zin om naar huis te gaan?
    Ik had je mail adres doorgegeven en Nanny en May maar die hebben je vast allebei zelf al gemailt. Misschien zie ik je wel weer een keer op Texel :)

    groetjes,

    Sindy

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Veel plezier in Collingwood! Neem je een flesje maple sirop voor ons mee? Het is vast gezond!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Blij om weer in Collingwood te zijn? :-)
    Tot snel! :-)

    BeantwoordenVerwijderen